De schielijkheid van Cijltje

Al twee of drie somers naar den anderen hadden de oude Vrouwen wat Vreugde aan haar Dogters belooft, en al desen tijd hadden de jonge Juffers haar sinnen meest op een Brabants reijsje gesteld als een Provintie sijnde weerdigh om besien te worden, en in veele dingen en voornamentlijk in maniere van Godsdienst seer veele van ons Hollant Verschelende.

Cornelis de Jonge van Ellemeet 1669, 149-150.

In de zomer van 1669 besloot Cornelis de Jonge, heer van Ellemeet, voor zijn familie een jacht te huren en een kort plezierreisje te maken naar de Spaanse Nederlanden. Thuis was daar al jaren lang om gezeurd en nu was het tijd om de ‘jonge Juffers’ tegemoet te komen. Samen met zijn moeder, zijn twee zussen, juffrouw de Jong met haar dochters en zoon, twee meiden en een knecht, lichtte Cornelis op 21 mei het anker.

Antwerpen en Brussel, de hoofdbestemmingen van hun tochtje, had Cornelis op zijn Grand Tour bezocht en waren dus al bekende koek. Om zichzelf toch te vermaken, beschreef Cornelis voornamelijk de activiteiten van zijn gezelschap. Naast een lieflijk ‘Pourtraict’ in woorden voor Agatha de Jong, schreef Cornelis hoe de dames op de reis verre familieleden opzochten, een mis aanhoorden in de Sint-Jacob-op-Koudenberg van Brussel en in lachen uitbarstten wanneer hij werd doorweekt door het opspattende water van de jacht.

Toch was niet alles op de reis plezierig. Toen de reizigers het plaatsje Vilvoorde passeerden op weg naar Brussel, werden zij staande gehouden door Spaanse soldaten die brutaal tolgeld eisten, tot grote ontsteltenis van Cornelis’ moeder en jongere zus.

Onderwegen een weijnig op dese Zijde van Vilvoorden komende wierden wij aangeranst van 5. of 6. Spaansche Soldaeten, die ons peerd vasthoudende ons op drie schellingen taxeerden, die hij ons met gewelt afdwongen, sonder dat sij haar met minder te vreeden hielden, een van de haere onse Lijn met een Ponjaart dreijgende af te snijden. Dit alles gaff groote ontsteltenis onder het geselschap, en bijsonder munte uijt de schierlijkheijt van Cijltje, die haar al soo wel als haar mamatje bevreest toonden.

Cornelis de Jonge van Ellemeet 1669, 162.

Op de terugweg kreeg Cornelis het weer aan de stok met Spaanse douaniers. Ditmaal was hij beter voorbereid en kocht hij hun beleefdheid af met de belofte fooi te geven na hun visitatie. Vanaf het dek zag hij hoe het een Brabantse vrouw slechter verliep:

[…] daar sij de andere schepen een onleijdelijk geweld aan deden, en voor mijn Ogen een arme Brabantsche Vrouw eerst haar goed uijt het schip, daer nae haar geld uijt haar sak haalden; sijnde onder de derde troup deser geweldenaer dien grootsten Belhamer wederom, die ons twee dagen te vooren het alderonfatsoenelijkste hadde bejegent, en de juffers sulke schrick op den hals hadden gejaagt, dat men al reede ringen en geld begon in de schoenen te steeken.

Cornelis de Jonge van Ellemeet 1669, 166.

Bang dat ze wederom door de Spaanse ‘belhamel’ benaderd en misschien wel beroofd zouden worden, verstopten de dames in Cornelis’ gezelschap hun ringen en geld alvast in het schoenen. Het liep met een sisser af. Met enig opgeklopt machogedrag liet Cornelis de vrouwen benedendeks gaan en besloot hij zelf de zaken te regelen. Dat besluit, zo beweerde de toekomstige ontvanger-generaal trots, had de groep veel tolgeld bespaard.

 

Advertenties